Nieuwe bekostiging voor mbo-aanbod in alle regio’s ■Het aantal jongeren in Nederland daalt, in sommige regio’s zelfs fors. Omdat mboscholen op dit moment grotendeels worden bekostigd op basis van het aantal studenten, zorgt de krimp direct voor financiële druk op het onderwijs. Zonder actie komt het mbo-aanbod in delen van het land in de knel: opleidingen kunnen verdwijnen en studenten moeten verder reizen. Daarnaast werkt het huidige model eerder concurrentie dan samenwerking in de hand. Op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap werkt men daarom aan het toekomstbestendig maken van de bekostiging van het mbo. Onlangs werd een tussenstand gedeeld met de Tweede Kamer: een inventarisatie van verschillende mogelijkheden voor nieuwe bekostiging. Rond de jaarwisseling maakt het ministerie haar voorkeursoptie bekend. Het ministerie laat weten dat iedere jongere de kans moet hebben zich in de eigen regio te ontwikkelen tot waardevolle vakkracht. ‘Het land kan zich niet veroorloven dat het belangrijke mbo-aanbod in sommige regio’s verdwijnt. Door nu keuzes te maken over hoe we het onderwijs willen bekostigen, zorgen we ervoor dat het mbo ook in de toekomst toegankelijk blijft voor iedereen.’ HUIDIG MODEL ONTOEREIKEND Bekostiging is het geld dat scholen van de overheid krijgen om onderwijs te geven – bijvoorbeeld voor docenten, lesmateriaal en gebouwen. Nu daalt dat bedrag automatisch evenveel mee als het aantal studenten afneemt. Ook stimuleert de huidige manier van bekostigen eerder concurrentie dan samenwerking tussen scholen. Dat kan afspraken in de weg staan die leiden tot een slim georganiseerd aanbod van opleidingen voor de regionale arbeidsmarkt en maatschappelijke opgaven. Denk bijvoorbeeld aan de energietransitie. BETROKKENHEID MBO-SECTOR Bij het uitwerken van de nieuwe bekostiging wordt onder meer de deskundigheid van de mbo-sector meegenomen. Om zicht te krijgen op wat goed aansluit bij de praktijk en de behoeften in het veld, zijn er gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van mbo-instellingen, studenten, docenten, het bedrijfsleven, gemeenten en de uitvoering. Expertisecentrum Zwaar Werk voor vroegpensioen ■TNO start een ‘expertisecentrum Zwaar Werk’ om vakbonden en werkgevers te ondersteunen bij cao-afspraken over vroegpensioen. De oprichting van het expertisecentrum volgt uit de afspraken die vakbonden, werkgevers en het kabinet in oktober 2024 hebben gemaakt. De definitie van zwaar werk wordt per sector bepaald in de cao. TNO beoordeelt vervolgens het proces dat cao-partijen hebben gevolgd om tot deze afbakening te komen en geven hierover advies. Met een regeling vervroegd uittreden (RVU) kunnen mensen met zwaar werk tot drie jaar eerder stoppen met werken. Dat schrijft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de Tweede Kamer. Bij bepalen van wat zwaar werk is wordt onder andere gekeken naar de werktijden, de werkomstandigheden en naar zowel de psychosociale belasting, als de fysieke en cognitieve belasting. De huidige RVU-maatregel is een afspraak uit het Pensioenakkoord uit 2019. Als gevolg van het akkoord van oktober 2024 wordt deze maatregel per 1 januari gericht voortgezet. GAZET | NUMMER 3 - 2025 40
RkJQdWJsaXNoZXIy NTI5MDA=