BOUWBELANG 1 - 2026 41 Wijzigingen arbeidszaken per 1 januari 2026 Op 1 januari 2026 verandert er een aantal regels op het terrein van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Een beknopt overzicht van de wijzigingen toegesneden op werkenden. Minimumuurloon Het minimumuurloon voor werknemers van 21 jaar en ouder gaat van € 14,40 naar € 14,71 bruto per uur. Voor werknemers van 15 tot en met 20 jaar gelden vaste minimumjeugduurlonen. De minimumjeugduurlonen zijn afgeleid van het wettelijk minimumuurloon. Kinderopvangtoeslag Het kabinet investeert € 199 miljoen in een hogere kinderopvangtoeslag voor werkende ouders. Werkende ouders met een gezamenlijk inkomen tot € 56.412 krijgen nu 96% vergoed van de kosten tot de maximum uurprijs. Ouders met een hoger inkomen ontvangen ook een hoger vergoedingspercentage. De maximum uurprijzen voor de kinderopvang gaan omhoog. Dit betekent dat de maximum uurprijs voor de dagopvang € 11,23 is, voor de buitenschoolse opvang € 9,98 en voor de gastouderopvang € 8,49. lijkt onvermijdelijk oenleeftijd is verhoogd en er minder mogelijkheden zijn voor vroegpensioen. Daarnaast is de gemiddelde leeftijd van de beroepsbevolking gestegen. Ook worden de aanvragen van mensen boven de 60 jaar beperkt getoetst. Meer dan 40% van de WIA-instroom is gerelateerd aan psychische aandoeningen. Het betreft vaker jongeren en vrouwen. Dit weerspiegelt volgens het IBO een bredere maatschappelijke ontwikkeling, die zich ook in andere landen voordoet. Oplopende wachtlijsten Zonder aanvullende maatregelen kunnen de achterstanden bij UWV oplopen tot bijna 200.000 wachtenden in 2030. De gemiddelde wachttijd zou dan toenemen naar ongeveer drie jaar. Dat is maatschappelijk onaanvaardbaar. Dit komt door de toenemende instroom, de ingewikkelde beoordeling en het tekort aan verzekeringsartsen. De verwachting is dat het aantal verzekeringsartsen de komende jaren niet zal stijgen, maar eerder zal dalen. De wachtlijsten en wachttijden blijven hierdoor groeien. Tot slot acht het IBO het niet verstandig om de verplichting van loondoorbetaling bij ziekte voor werkgevers terug te brengen van twee naar één jaar: “Dit is één van de krachtigste en meest succesvolste beleidsmaatregelen om ziekteverzuim en daaropvolgende arbeidsongeschiktheid te verminderen”, citeert het IBO het CPB. Deze maatregel leidt bovendien tot fors hogere wachtlijsten, meer instroom bij de WIA en hogere kosten. Daarnaast re-integreren veel mensen in het tweede jaar bij hun werkgever, terwijl het veel moeilijker is om vanuit een uitkering weer aan het werk te gaan. Vrijstelling RVU-heffing omhoog Werknemers die zwaar werk doen, kunnen door de Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU) drie jaar eerder stoppen. Zij krijgen van hun werkgever een uitkering tot hun pensioenleeftijd. De werkgevers hoeven over die uitkering geen extra belasting (RVU-heffing) te betalen. Het bedrag stijgt door indexatie tot € 2.357 bruto per maand. Om de RVU toegankelijker te maken voor werknemers met een laag inkomen of weinig aanvullend pensioen, kan de werkgever boven op de basis RVU-uitkering (netto gelijk aan een AOW-uitkering) maximaal € 300 bruto per maand extra meegeven. Cao-partijen kunnen daar afspraken over maken. Over het extra bedrag betalen werkgevers geen extra belasting. Wijzigingen loonkostenvoordeel Voor oudere werknemers en werknemers met een arbeidsbeperking kunnen werkgevers het loonkostenvoordeel (LKV) krijgen. Voor oudere werknemers (56 jaar en ouder) wordt het loonkostenvoordeel afgeschaft per 1 januari 2026. Voor werknemers die vóór 1 januari 2024 in dienst zijn gekomen, houdt de werkgever het loonkostenvoordeel. Voor werkgevers met meer dan 25 werknemers wordt het makkelijker om mensen met een arbeidsbeperking, die vallen onder de doelgroep banenafspraak, in dienst te nemen. Het loonkostenvoordeel banenafspraak geldt vanaf 2026 zolang de werknemer in dienst is. Eerder gold het LKV voor maximaal drie jaar. Ook is nu geen speciale doelgroepverklaring van UWV meer nodig om dit voordeel te krijgen. Transitievergoeding De transitievergoeding bij ontslag gaat omhoog door indexatie en bedraagt maximaal € 102.000. Of, als het jaarsalaris hoger is dan € 102.000, maximaal één bruto jaarsalaris.
RkJQdWJsaXNoZXIy NTI5MDA=